Sanders wordt Zen op Zee

De trouwe lezer zal zich nog herinneren hoe de schipper van de Tuimelaar in de 200-Myls-Solo 2017 met gierende adrenaline de basaltblokken bij de startlijn wist te ontwijken, hoe het bloed het witte dek bespatte in de sluizen van Enkhuizen en hoe met windkracht 9 de optimale balans werd gevonden tussen het tweede rif en het surfen van de golftoppen (“Sanders blogt op Zee” https://200myls.nl/2017/10/07/sanders-blogt-op-zee/).

 

In ieder geval herinnerde de schipper zelf zich dit maar al te goed en het was dan ook met enige huivering dat hij aan de start verscheen van editie 2018. Maar met een duidelijk voornemen: ik ga niet voor de snelheid, ik ga voor het genieten, ik ga er een mooie tocht van maken, ik laat me niet stressen. Ik word Zen op Zee!

 

En ik ga zeker niet als eerste proberen te starten om 7:00 uur, want dat gedoe met al die bootjes in het startgebied in het donker tussen de langs daverende vrachtschepen vond ik vorig jaar ook een stressvolle gebeurtenis. Ik heb immers tot 10:00 uur de tijd om regulier te starten.

 

Zo word je Zen op Zee.

 

De normale incidenten konden mij dan ook niet deren: Aan de steiger in starthaven Lelystad werd ik met mijn 2,5 meter diepgang in de modder vastgezogen. Met brute lierkracht op de ankertros heb ik Tuimelaar weer losgetrokken en afgemeerd aan de tegenoverliggende steiger naast Wendelyn. Maar Wendelyn wilde wél om 7 uur starten, dus toch maar om 6:15 uur in de ochtend in het donker op weg naar de start. Ondanks de duidelijke waarschuwing bij het palaver: bijna op een achtergebleven Hiswa meerpaal geknald. Vervolgens in het startgebied: ondanks de duidelijke waarschuwing bij het palaver bijna overvaren door een vrachtschip. En kort na de start begeeft de windsnelheidsmeter het en deze blijft de hele race buiten gebruik (zo leer je weer op je gevoel zeilen!).

 

Dit alles kon mij dus niet ontmoedigen en ik bleef Zen op Zee.

 

Mijn starttijd was 7:10 uur, maar ik vond het toch meteen jammer dat ik die eerste tien minuten al cadeau had gegeven aan de snellere starters. Ik begon te jagen op de voorliggers, een mooie aan-de-windse koers, ideaal voor Tuimelaar. Toch waren die tien minuten niet meer in te halen, en vijf of zes jachten rondden ton “Sport-G” ruimschoots voor mij. Met een ongelooflijke voorsprong van Zeilblij: 2,5 mijl. Hoe heeft-ie dat geflikt op een kruisrak van 11,9 mijl!

 

Nu op naar Volendam, een mooie halvewindse koers. Vóór mij, en links en rechts, en ook achter mij worden de spinnakers gehesen. Maar nu moet ik met het schaamrood op de kaken iets bekennen aan de 200-Myls-Solo gemeenschap: ik vind dat spinnakeren in mijn eentje eigenlijk een beetje eng, steeds bang dat ik uit het roer loop, of dat de spinnaker als een zandloper om het voorstag vastdraait, of dat ik die lap van 155 m2 straks niet meer naar beneden krijg en rechtdoor moet varen waar iedereen de ton rondt en met een mes de hele boel in stukken moet snijden om mij het vege lijf te redden. Nou heb ik wel zo’n slurf, zo’n spinnaker condoom, maar daar durf je je in het wedstrijdveld toch niet mee te vertonen, ik hoor het daverend gelach al om mij heen, nee dat kan echt niet.

 

Om ook de spinnakerstress te vermijden zet ik mijn geheime wapen in: de Code Zéro. Het is een mooi zeil, het is een fijn zeil, het is een glimmend zeil, het is een makkelijk te bedienen zeil. Maar het resultaat is op deze koers dat ik aan alle kanten voorbij wordt gevaren door fanatiek hun voordekken op en af springende solo-zeilers die wél weten hoe ze hun spinnakers in bedwang moeten houden. Het is een fraai gezicht: onder andere de Blue June en de Jager lopen mij met gebolde spinnakers voorbij, twee boten die ik toch echt te snel af zou moeten zijn. Maar: no stress!

 

Bij het Paard van Marken neemt de wind af. Jager ligt net voor me, ik zie Dick Koopmans over zijn dek alle kanten op draven om het maximale uit de wind te halen. Dat helpt hem, totdat de wind wat meer van voren komt. Nu moeten de spinnakers het afleggen tegen mijn Code Zéro en ik weet de schade weer wat in te lopen. In de Oranjesluizen meldt een van de zeilers dat hij meteen zijn vriendin heeft gebeld om haar te vertellen dat hij ook zo’n zeil wil kopen.

 

Door het Noordzeekanaal varend zie ik onder de mast op dek een mooie stevige RVS-bout liggen. Een imbus-bout. Een gave bout. Toch niet iets wat een meeuw op het dek heeft laten vallen. Dus waar komt die bout vandaan? Wat zit er in de mast, waar geen bout meer aan vast zit? Waar ga ik straks op zee door verrast worden? Ik wil het niet weten, maar je gaat je er toch zorgen over maken. Maar nee. Ik laat me niet stressen, ik blijf Zen op Zee.

 

Na het passeren van de zeesluis kom ik tegen 17:00 uur met de eerste groep in Marina Seaport IJmuiden terecht, waar wij ons verzamelen om met lopend tij de Noordzeebaan te varen: langs de kust en via Den Helder het wad op, dan door naar Kornwerderzand. Ik had mij stellig voorgenomen mijn vaar- en rusttijden zo te kiezen, dat ik alleen overdag zou varen. Lekker relaxed! No stress.

 

Maar ja, dat zou betekenen dat ik pas morgenochtend met het tij van half elf kan wegvaren, en dan donderdagavond met nog maar 75 mijl achter de kiezen, alweer in Kornwerd mijn tweede rusttijd moet nemen, waarna ik vrijdagochtend zou herstarten voor de volgende 125 mijl. En dat terwijl vrijdag de wind zou wegvallen. Nee, dat is geen optie, dus toch maar ’s-avonds om half negen in het donker losgemaakt en de zee op. Bij ton ”Baloeran” net na de Jager gestart, naast Florijn en Geisha.

 

Dit goed bezeilde aan-de-windse koersje (50-70 graden schijnbare wind) was een kans voor Tuimelaar. De zeilen van de andere boten kon ik in het donker niet onderscheiden, maar aan hun snelheden was te zien dat er in het donker niet werd gespinnakerd. Op Tuimelaar kon het geheime wapen weer worden gezet en al gauw liet ik Geisha en Florijn achter me. Het niet-zo-zen-bloed kruipt waar het niet gaan kan: ik joeg op de Jager en zeilde deze voorbij. De sterren verschenen in het zwerk, er was geen grote scheepvaart, wel een Grote Beer, wat kleine lichtjes aan de wal en, aan de einder, ruim 20 mijl voor ons, was al snel het zwaailicht van de Lange Jaap (Den Helder) te zien dat met ijzeren regelmaat een scheut licht onze kant op wierp.

 

Gehurkt op het donkere voordek draaide ik mij in een onhandige positie om een zeilbandje vast te maken. Opeens hoor ik een geraas en gefluister langs mijn oor, komt er een zeil naar beneden? Wat gebeurt er? Het duurt enkele seconden en dan heb ik in de gaten dat ik als een Michelin mannetje zit vastgesnoerd in mijn spontaan opgeblazen zwemvest. No stress! Naar binnen, rustig het zwemvest uitdoen en vervangen door een andere, dan weer in het donker naar voren en het klusje vervolgen.

 

Maar dat boutje, dat boutje … .

 

Het leek wel of de stroom mij gaandeweg steeds dichter naar de wal bracht. Ter hoogte van de Lange Jaap scheerde ik vlak langs de kust (ton “S11”volgens voorschrift aan stuurboord houdend) het Schulpengat door en het Marsdiep binnen. De wind kwam wat achterlijker binnen, het water hield op met klotsen en in de stilte die volgde gleed ik langszij Hinder. “Vaar je nog door?” vroeg de schipper. “Ik wou eigenlijk stoppen in Oudeschild,” zei ik, maar het is zo mooi, ik denk dat ik door vaar. “Ja, ik wou ook stoppen, maar ik ga ook door.” En zo gleden wij samen het donkere wad op.

 

Een foute beslissing.

 

Aanvankelijk won ik flink op de Hinder, met mijn Code Zéro gehesen. Wij baanden ons een weg van de ene verlichte ton naar de volgende, goed oppassend om de tussenliggende onverlichte boeien te mijden. Maar de wind nam steeds verder af en langzaamaan begon ik mij zorgen te maken of we Kornwerd wel zouden halen op het staartje van het tij. Er was geen weg terug. Het enige wat ik zou kunnen doen was ankeren op het wad, bijvoorbeeld aan de Noordzijde van Breezanddijk, maar dat zag ik niet zitten, daarvoor was ik te onbekend met het water. Hinder hees de spinnaker en zoals ik inmiddels gewend was, liep ze mij voorbij. Ik keek het een tijdje aan, maar zag steeds meer het perspectief opdoemen van een kerend tij met windstilte en een achteruit zakkende Tuimelaar op het wad. Hier kon geen Zen tegen op. Ik moest wat doen. Deklichten aan, Tuimelaar wordt een grote lichtbundel op het donkere wad, lijnen en spi-boom klaar maken en omhoog met dat ding. Dat hielp goed. Hinder lag inmiddels een mijl voor mij, maar die afstand nam niet meer toe. Op de AIS kon ik zien dat Free Bird, zo’n zes mijl voor ons, nog goede voortgang maakte. Kennelijk liep de stroom nog mee. Ik zag het weer een beetje zitten. En inderdaad, om 5:16 uur, rond de kentering, rondde ik ton ”BO2 VVG1” bij Kornwerd. Op de AIS zag ik een batch 200-Myls-Solo boten de sluis uit komen. Zij gingen juist het meelopend tij de andere kant op pakken. Het neerhalen van de spinnaker viel me mee: netjes afvallen tot 150 graden schijnbare wind, de guy spiken bij de spi-boom. Naar achteren om de val los te maken en het voordek op met de val in de hand, een slag over de lier, zodat de spinnaker gecontroleerd zakt. De hele handel in het luik proppen. Zo opgeruimd staat netjes. We worden weer Zen! Al is het moeilijk om Zen te blijven bij het aanvaren van de toegang naar het sluiscomplex. Wat is dat slecht aangegeven, zeg! Groen licht aan bakboord, rood aan stuurboord, maar het hoort juist andersom te zijn. Hoe ligt die strekdam nu in zee, waar staat het havenlicht? Het is eigenlijk op zicht niet te doen, je moet op je GPS kaart blijven kijken. Een uit het niets op volle snelheid binnenvarende visser was uiteindelijk de beste wegwijzer.

 

Om 7:30, het was weer licht, te kooi in Makkum. Het niet-varen in de nacht was deze nacht nog niet gelukt.

 

Tegen twee uur ’s-middags kon ik weer starten aan de zuidzijde van de Lorentz-sluis. Ik besloot om te proberen de 93 mijl die ik op het noordelijk deel van het IJsselmeer moest afleggen in een ruk te gaan varen. Voor vrijdag was er immers windstilte voorspeld, dus ik wilde er voor zorgen dat ik vrijdag of vrijdagavond alleen nog de laatste 25 mijl op het Markermeer hoefde te varen, zodat de windstilte geen blokkade zou worden voor het afleggen van een groter deel van de tocht. Dus nu – donderdagmiddag – maar flink doorzeilen. Dan kan ik in de loop van de nacht mijn verplichte ankerstop maken bij Enkhuizen, de verplichte (totaal) 27 uur rusttijd volmaken, en met een beetje geluk zal er vrijdag eind van de middag toch wel weer wat wind zijn? Dan vaar ik die laatste 25 mijl in vier uurtjes.

 

Maar dat boutje, dat boutje … .

 

Daar gaan we dan, kris-kras het IJsselmeer over. Naar Staveren, naar Oude Zeug, naar Hindeloopen, naar Breezanddijk. De rakken zijn netjes uitgezocht, want ik kan met mijn 2,5 meter diepgang alle tonnen rechtstreeks aanvaren. Vorig jaar moest ik bij Breezanddijk nog omvaren en raakte ik bij Hindeloopen de bodem. Op weg naar Medemblik begint de in de railing opgebonden Code Zéro door het water te sleuren. Ik ga naar voren en bindt hem als een mummie in met een eindeloze reeks zeilbandjes. Pas na dit klusje begin ik na te denken. Hoe komt het eigenlijk dat-ie zo door het water sleurt, zou het misschien iets te hard waaien? Inderdaad, ik had al lang niet op de windmeter gekeken, die deed het immers niet, maar de bovenste kabel van de railing door het water betekent meestal: meer dan 20 knopen wind en … reven!

 

Ik gooi de grootschoot los, ik laat de val een paar meter zakken. Ik haal de smeerreep door, ik trek ‘m nog strakker, maar iets lijkt niet goed … . Ik zet de val door, trek de schoot aan. Inderdaad er zit iets niet goed, de halshoek blijft los en de kracht van de val op het zeil loopt schuin weg naar achteren. Lampje er bij (het is inmiddels donker): het boutje verklaard! De smeerreep had door een mooie RVS sluiting in de halshoek moeten lopen, maar die sluiting is overboord gegaan. Gelukkig heb ik er nog een liggen. Snel gemonteerd en ik kan weer zeilen. Het boutje zit mijn Zen-gevoel niet meer in de weg.

 

Op het volgende rak kan ik alweer ontreven. Het blijft een rustige nacht met een lekker lopend windje. Op weg van Enkhuizen naar de Ketelbrug schrik ik van de enorme lampen van een aantal werkboten binnen het werkgebied voor Urk. Het gebied is goed verlicht, maar toch is niet goed te zien wat er ter plaatse in het water ligt. Het lijkt er op dat ik recht op de begrenzing afkoerste in de vorm van een drijfboeienlijn. Na de schrik keert de rust weer aan boord van de Tuimelaar. Hoe is het eigenlijk met de concurrentie? Er zijn hier niet veel 200-Myls-Solo zeilers waar te nemen. De hele dag vroeg ik mij af waar de Jager gebleven was. Als ik bij de Ketelbrug “KH” heb gerond en op weg ben naar “UK10” zie ik op de AIS dat Jager een paar mijl achter mij zit en spoedig ook de KH zal ronden. Inmiddels is het vijf uur ’s-nachts. Ik heb nog negen mijl voor de boeg naar Enkhuizen. Ik houd vast aan mijn plan om het Noordelijke IJsselmeer in een ruk af te maken. Onderwijl geniet ik van een donkere sterrenhemel met een heel dun maar helder maansikkeltje dat langs de horizon scheert. Als ik in de kuip op mijn rug ga liggen, het vertrouwde plekje waar ik vele nachtelijke uren alleen op zee heb doorgebracht, is mijn enig uitzicht de rood en groen verlichte Windex in de top van de mast die op het ritme van de golven langs de sterrenhemel heen en weer beweegt. De man, zijn boot en het heelal.

 

Om 7:03 uur, het is weer licht, rond ik de KG bij Enkhuizen. De wedstrijdklok staat stil en ik zet koers naar het vlakke en ondiepe water net ten noordoosten van het Krabbersgat. Heel voorzichtig vaar ik richting land. Met de echolood tast ik als het ware de 2.70 meter lijn af, zodat ik net genoeg diepte heb om te ankeren. Precies op die lijn biedt het land de luwte tegen de zuidwestelijke wind. Tsja, het niet-’s-nachts-varen was weer niet gelukt. Maar Zen was ik wel. Om 8 uur te kooi op het Kooizand. Heerlijk geslapen.

 

’s-Middags om een uur of twee sta ik op, eet een flink ontbijt en maak mij klaar om richting Naviduct te gaan. Tegen de tijd dat ik daar aankom is de wind helemaal weg. Ik had verwacht dat dat eerder zou gebeuren, maar overdag – toen ik lag te slapen – kon er door de ander deelnemers nog lekker gezeild worden. Het nachtelijk doorvaren had mij niet echt voordeel opgeleverd.

 

Aan de westzijde van het Naviduct mag ik op zijn vroegst om 16:55 uur weer starten. Dan pas is de 27 uur rusttijd “volgelopen.” Ik zit goed op schema, want rond vijf uur lig ik met zeilen op vlakbij start-ton “KR29 BR2”. Maar de wind is echt “nul”. Er is dan ook maar één juist besluit om te nemen: niet starten en wachten tot er wind is.

 

Ik zie Dick Koopmans op de Jager de lucht, het water en de wind verkennen. En wat doet hij? Hij gooit zijn anker uit en start niet. Ook de schipper van de Free Bird kijkt vertwijfeld naar zijn windmeter. “Dat wordt niks meer, ik moet morgenavond terug zijn in Makkum.” Hij keert terug, verdwijnt weer richting Naviduct.

 

Ook ik kijk vertwijfeld naar mijn windmeter. Maar dat is omdat-ie het nog steeds niet doet. Ik ga gewoon starten, bedenk ik. Als ik wacht op wind en later start, is de kans net zo groot dat ik straks midden op het meer geen wind meer heb. Ik ga gewoon! Met snelheid “bijna-nul” dobber ik heel langzaam langs de KR29 BR2 en ik doe er kruisend vijf kwartier over voordat ik de smalle vaargeul kan verlaten. Normaal is dat 10 minuten varen, dus dit was voor de wedstrijdzeiler de meest domme beslissing die je kunt nemen. Laten we het maar een Zen-beslissing noemen. Ik verbaas me er over hoe je zonder wind en zonder zichtbare snelheid van de boot (ook de log wijst 0,0 als snelheid aan), toch met een halve knoop per uur de goede richting in kunt gaan. Af en toe is er een kort vleugje wind en dan trek ik aan alle lijntjes om er nog een beetje effect uit te halen. De zon zakt oranjekleurig weg achter het licht van Leekerhoek. Hoeveel uur ga ik over deze 25 mijl doen? Met een klein beetje wind zou ik om een uur of negen ’s-avonds kunnen finishen bij Lelystad. Maar nu rond ik de eerste ton, de “EA1” pas om half negen en zet vervolgens in volstrekte duisternis en stilte koers op de “Sport-G”.

 

Zo als vannacht heb ik het Markermeer nog niet meegemaakt. Vrij van land in een cirkel van tien kilometer om mij heen heb ik toch niet het gevoel dat ik midden op een groot meer zit. Aan de horizon zie ik overal lichtjes op het land om mij heen. Soms hoor ik een zware automotor of een opgevoerde brommer langs de dijk optrekken. Soms hoor ik een flard muziek, misschien ging in Volendam de deur van de kroeg even open. En verder rust op het water. Nu en dan een opfladderende vogel. Het voelt alsof ik in een stadsvijver lig te dobberen. Dan komt de ton dichter bij. Ik ben al lang op het flitsende licht (1 flash in 10 seconden) aan het sturen, maar in het donker is de afstand moeilijk in te schatten. Is het nog 200 meter of 20? Als ik vlakbij ben, is de ton zelf in de lichtflits te onderscheiden. Ik zet er een zoeklicht op. Dan ziet dat gele object er plotseling een stuk prozaïscher uit. Ik rond de ton dichter dan ik ooit heb gedaan en dobber voort naar de volgende, Sport-H. Op de AIS zie ik dat er twee boten vlakbij deze ton liggen. Ook in windstilte aan het dobberen? Maar nee, ze blijven exact op dezelfde plaats liggen. Als ik rond half één bij Sport-H aan kom drijven, zie ik dat de beide 200-Myls-Solo jachten tegen elkaar aan op anker liggen. Midden op het Markermeer. Wie ligt ooit zo voor anker? Een liefdevol gearmd slapend echtpaar in de nacht. Ik dobber nog enkele uren voort en finish uiteindelijk om vier uur ’s-nachts. Het kostte Tuimelaar 11 uur om deze 25 mijl af te leggen. Maar het was uniek om urenlang gewiegd te worden door deze stille waterwereld. Om half acht ’s-morgens lig ik afgemeerd in thuishaven Muiderzand. Ook de derde nacht heb ik uitsluitend gezeild.

 

Alles verliep dus anders dan gepland. En zo hoort het ook.

 

De 200-Myls-Solo, een strijd tegen jezelf tegen het decor van de andere deelnemers. Het lijkt wel het echte leven.